Heemkundige Kring Sas van Gent


Omgekeken

Omgekeken-Deel 3

Bij een overlijdens-aangifte heb ik het maar één keer meegemaakt, dat de aangever trakteerde op een doos sigaren "omdat zijn vader eindelijk uit zijn lijden verlost was". Het mankeerde er nog maar aan, dat ik op de borrel gevraagd werd, zoals dat bij een geboorte-aangifte wel eens gebeurde. Ook bij een overlijden moest er een telkaart worden ingevuld. Een collega in een naburige gemeente vergat eens het beroep van de 92-jarige overledene te vermelden. Hij kreeg de kaart retour met het verzoek het ontbrekende te willen aanvullen. Het antwoord was: "Wielrenner (beginneling)". Hij heeft er nooit meer iets van gehoord.
*
Het eerste huwelijk, dat ik heb mogen voltrekken, bestaat nog! De mensen wonen wel buiten Sas, maar als Jean Kalfsvel met kermis of karnaval Velsen voor Sas verruilde, dan dronken we er nog wel eens een borrel op. Zo is het helaas niet met allemaal gegaan en beslist ook niet in alle gevallen "tot de dood ons scheiden zal".
*
Op zekere dag verscheen er aan het loket een dame, die inlichtingen wilde hebben over echtscheiding. Dat ware haar kort en bondig te vertellen geweest als zij niet eerst zelf voor moeilijkheden had gezorgd.
Zodra ze was begroet vond ze het nodig of nuttig haar zeer weelderige boezem op het loket te etaleren. Pas daarna vertelde ze haar probleem. Toch weet ik zeker, dat ze precies te horen heeft gekregen wat ze weten moest. Alles werd weer veilig opgeborgen om de secretarie te verlaten. Het antwoord was n. l. heel kort maar duidelijk geweest: "Als je gaat trouwen kom je voor de ambtenaar van de burgerlijke stand terecht, maar als je wilt scheiden (en daar ging het om), start je de procedure daarvoor bij een advocaat/procureur."
*
Veel paartjes, die ondertrouw kwamen doen, waren nerveus, dat wel, maar ze wisten goed wat ze deden. Secretaris Stubbé heeft eens een stelletje terug gestuurd omdat ze hem beiden behoorlijk om hadden.
Ik zelf heb eens een paartje gevraagd of ze het vrijen wilden staken tot onze zaken geregeld waren. In sommige gevallen moest er heel serieus gepraat worden en was het bijvoorbeeld een toer om van het bruid j e te weten te komen of hij toch wist dat zij een kind had. Zo ja, dan kon je bij de ondertrouw al afspraken maken over de erkenning bij het huwelijk, waardoor het kind gewettigd werd en op zijn naam kwam te staan. Het gebeurde ook wel, dat (meestal) het bruidje vertelde dat vader of moeder (of beiden), niet wilden tekenen. Het hele verhaal van het hoe en waarom kwam dan los. Afhankelijk van de leeftijd van het paar en de situatie waarin het verkeerde, nam je dan een beslissing over het uitsteken van de helpende hand. Toch zeker als het "een moetje" was. Vaak gebeurde het dan dat de vereiste handtekening dan thuis toch wel gezet werd als in een gesprek duidelijk kon worden gemaakt dat verzet weinig zou helpen als de tussenkomst van de kantonrechter werd ingeroepen. Pa en Ma waren dan niet bij het huwelijk aanwezig en bleven boos, maar waren alles prompt weer vergeten op het moment dat ze bij de doop van hun kleinkind, peetje of meetje mochten zijn.
*
De trouwerij was meestal een zenuwachtige bedoening, maar toch wel plechtig. Eén keer heb ik eens aan de bruidegom gevraagd of hij zijn sigaret wilde wegleggen en één keer heb ik de bruidegom gevraagd of hij tijdens de plechtigheid zijn hoed wilde afzetten. De man droeg die waarschijnlijk nooit en dacht, nou ik er een heb zal ik hem dragen ook.
*
In een bepaald geval kwam ik in moeilijkheden omdat ik dacht dat moeder en zoon zouden gaan trouwen. Qua leeftijdsverschil kon dat best, zoveel ouder was de bruid. Een huwelijksvoltrekking is openbaar, dus mag iedereen gerust weten dat het ging om een huwelijk binnen de familie Lafertin. Velen zullen zich de woonwagenbewoners met het ravenzwarte haar nog wel herinneren. Ze speelden viool en maakten andere muziek, maar ze konden niet lezen of schrijven. Mondeling was er wel wat informatie los te krijgen, maar schriftelijk ..... ho maar. Je moest alles zelf maar uitzoeken en zo heeft zich rond die trouwerij een heel dossier gevormd. Papieren moesten er komen uit Amsterdam (waar eens geen geboorte-akte was opgemaakt), uit België, Engeland, Frankrijk tot uit een gebied tegen de Spaanse grens. Zo bouwde ik een overzicht van de familie op en vond ik het verstandig vooroverleg te plegen met de Officier van Justitie. Anders zou ik, na de inlevering van de bescheiden, vast en zeker toch op het matje zijn geroepen. Het was dan ook niet gering, wat daar allemaal gebeurde. Zo werden er bij dat huwelijk een paar kinderen erkend, die zelf al getrouwd waren en waarvan de bruidegom nauwelijks de vader kon zijn.
Maar enfin, het is allemaal gelukt ondanks het feit dat bij het huwelijk een getuige aanwezig was, die tijdens de oorlog in een concentratiekamp was overleden. De andere getuige had een affaire achter de rug waaraan niet minder zwaar getild mocht worden. Dit is het eerste huwelijk geweest dat op het stadhuis burgerlijk en kerkelijk voltrokken werd. Toen ik klaar was met mijn praatje kreeg de pastoor het woord en geloof me, de ganse familie is me altijd zeer erkentelijk gebleven.
*
Een andere moeilijke affaire deed zich voor toen 2 broers gingen trouwen met elkaars vrouw. Eerst kwamen de echtscheidingen, toen de wachttijden voor de vrouwen en daarna de huwelijksvoltrekking voor beide paren tegelijk, broederlijk en zusterlijk naast elkaar gezeten. Bij die gelegenheid heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand niets gezegd over het "Waar is oprechter trouw, dan tussen man en vrouw, ter wereld ooit gevonden."
*
Ik heb het eens meegemaakt dat de moeder van de bruid, die al geruime tijd in ondertrouw was, me kwam vertellen dat het huwelijk geen doorgang zou hebben. Gebleken was dat ze als broer en zus naast elkaar zouden moeten leven en daar voelde de bruid toch maar niets voor. Een moeilijk maar wijs besluit vond ik het en zeer erg in tegenstelling tot: de man die in zijn huwelijksnacht tot de ontdekking kwam dat zijn bruid vrouw noch man was. Teleurstelling en veel spanningen waren het gevolg met een echtscheiding als eindresultaat;
de dame die in Antwerpen door de Rijkswacht werd betrapt bij het plegen van overspel. Volgens haar is dat "een duur ritje" geworden met echtscheiding als gevolg.
*
Je moest er ook op attent zijn dat Belgische onderdanen na een echtscheiding, niet probeerden hun domicilie over te brengen naar Holland om daar te gaan trouwen. Dat kwam omdat in het Belgische vonnis niet alleen de overspelige met naam en toenaam werd genoemd maar ook de zgn. "bijslaap" werd aangeduid. Tussen die twee mocht er dan gedurende een bepaalde tijd geen huwelijk worden voltrokken. Samenwonen bestond toen nog niet, dus probeerde men van alles om de wet te ontduiken. Als je hen geholpen zou hebben, dan liep je de kans dat ze nog verder van huis kwamen, omdat dat huwelijk in strijd was met hun "personeel statuut". Een afschrift van de huwelijksakte uit Nederland kwam via het ministerie in de laatste woonplaats in België terecht, waar men de overtreding dan gemakkelijk kon constateren.
De mevrouw met haar dure rijbewijs van daar straks was van Nederlandse origine en liep dus geen enkel gevaar.
*
Rare dingen beleef je maar één keer in je leven. Zo heb ik eens een huwelijk voltrokken van een stel dat een paar maanden later het zilveren huwelijksfeest vierde.
Dat was van een inmiddels overleden zeer bekende persoonlijkheid uit Sas. Zijn vrouw was in haar dolle jaren getrouwd met een flinke, knappe Italiaan. Het liep mis tussen het paar maar Italië kende geen echtscheiding, dus ook geen scheiding in Nederland. Het wachten was op het overlijden van de Italiaanse echtgenoot en toen dat gebeurde werd er getrouwd, terwijl er welhaast een periode van 25 jaar samenwonen voorbij was.
*
Bij de brandweer heb ik zo wat de plezierigste dag van mijn leven mogen beleven.
Het was zover dat Westdorpe ook was aangesloten op het waterleidingnet. In het vervolg zou men daar dus niet meer verstoken zijn van water voor het blussen van een brand. Op de dag van de feestelijke aansluiting beschikte de brandweer nog niet over het overigens wel bestelde materieel om de waterleiding te kunnen gebruiken. Geen nood. Sas zou wel eens demonstreren hoe dat allemaal moest. Het weeghuisje aan de Molenstraatbij de Geitenwei was het proefobject. Alles verliep prima, iedereen was tevreden en wij waren bedankt voor de moeite. Wethouder de Maertelaere tracteerde nog eens vóór het naar huis gaan, maar dat had hij beter niet kunnen doen, want toen liep het samenzijn verschrikkelijk uit de hand. Het werd echt een rommeltje en toen we dan toch naar huis toe wilden, kon dat niet omdat de brandspuit van Westdorpe dwars voor de grote brug in Sas was opgesteld. We moesten en zouden nog eventjes bij Jan Haarsma binnen gaan. Julma, Jan's vrouw, had nog gewaarschuwd, want die had de brandweer naar Westdorpe zien rijden. Die zelfde avond werd daar de bridge-club opgericht en de dames en heren van dat gezelschap waren uit veiligheidsoverwegingen ondergebracht in de huiskamer. Gelukkig maar, want wat we daar hebben klaargemaakt, onder aanmoediging van Jan Haarsma zelf, is om nooit te vergeten.
*
De secretaris met een stoel in de hand in de achtervolging van de burgemeester, was ook in Sas een niet alledaags verschijnsel. Hoe dat kwam ?
Op een goede dag gaf burgemeester Hoefnagels de vloeiboeken terug met de mededeling dat hij één brief niet had getekend, omdat de inhoud daarvan niet juist was. "Zeg dat maar tegen de secretaris, dan weet hij wel wat ik bedoel." Die boodschap werd braaf overgebracht waarop de secretaris reageerde met zoiets van "Dat ie oploopt, die rotvent". Een uurtje later vraagt de burgemeester wat de secretaris gezegd heeft. Dat kon je natuurlijk niet navertellen en daarom kreeg hij te horen "dat hij het wel eens zou bekijken". Toch werd de sic ingelicht over dat verzoek, met als antwoord: "Dat ie stikt". 's Middags wilde de burgemeester weten of die brief al was overgetikt. Dat was niet het geval, waarop de opdracht volgde aan de secretaris te vragen wat haast te maken, want die brief moest de deur uit !
Met hangende pootjes weer naar de sic met de boodschap dat de burgemeester weer naar die brief gevraagd had en gezegd had dat er haast bij was. Opnieuw wat gegrom, maar er gebeurde niets. Nou zat de secretaris nogal eens in de raadszaal te werken en de burgemeester kon niet naar het toilet zonder die ruimte te passeren. Op het moment dat het zover was schoot de sic uit z'n slof en wilde weten wat dat eigenlijk was met die brief. De burgemeester reageerde met: "Dat is weer zo'n laffe streek van u." Het scheelde maar haar of draad of de sic had een andere streek uitgehaald.
Een paar dagen later is er een brief verzonden met een inhoud die geheel aan de wensen van de burgemeester voldeed !
*
De burgemeester noemde je nooit bij je naam. Je was altijd "vrind". Dat gold voor ieder personeelslid. Zijn opvolgers waren daarin heel anders, bij hen was je gewoon wie je was. Burgemeester Dusarduijn ging daarin het verste en noemde je bij de voornaam, hetgeen de prettigste indruk maakte. Maar ik vernoem al de laatste opvolger van Hoefnagels, terwijl er voor hem nog anderen waren, die overigens niet in de voetsporen van Hoefnagels zijn getreden.
*
Zijn directe opvolger was Mr. Georges P.J.M, de Kerf. Hij was jong en had administratieve ervaring opgedaan op de secretarie van St.Jansteen. Als hij het ergens niet mee eens was, kwam hij er zelf op af om overleg te plegen.
Herinneringen aan hem zijn er voldoende, maar niet in die zin, dat je zou kunnen zeggen: "Jonge, jonge, wat was dat knap gedaan." Rustig en kalm ging hij zijn gang en toonde meer dan eens dat hij zijn meesterstitel niet voor niets verworven had. Toen er eens een begroting vastgesteld moest worden, kwam men daarin ook het salaris tegen van Mevr. Uyt den Bogaard - van de Putte, die in Sas als vroedvrouw was aangesteld. Een raadslid wilde wel eens weten, wat zo ongeveer de prestaties waren van deze dame. Alleen, hij vroeg dat een beetje ongelukkig, zo in de vorm van: "Meneer de voorzitter, die vroedvrouw, wat doet die daar eigenlijk voor?" Het antwoord van de voorzitter was kort maar duidelijk: "Wat een vroedvrouw gewoon is te doen."
*
Hoe handig hij ook was, het kon niet worden belet dat hij duidelijk liet blijken het niet te kunnen vinden met de Duitse bezetter en daar beslist ook niet hard voor liep. Het gevolg is dan ook geweest, dat hij als burgemeester werd ontslagen en zelfs Zeeland werd uitgestuurd, een maatregel die overigens op velen werd toegepast om staatsvijandige lieden te weren.
*
Op D-day (6 juni 1944) keerde de Kerf clandestien in Sas terug. Hij dook toen bij mij thuis onder en op bevrijdingsdag, 19 september 1944, was hij onmiddellijk weer beschikbaar. Dat was zeer tegen het zere been van sommige lieden, o. a. van Gaston Goossens, toen als lid van het College van Gedeputeerde Staten, de hoogste burgerlijke gezagsdrager in Zeeuwsch-Vlaande-ren. De intriges rond de Kerf deden hem uiteindelijk het pleit verliezen en in 1947 werd hij door de Nederlandse autoriteiten definitief ontslagen.
*
Het gat tussen de twee perioden, waarin de Kerf bestuurde, was opgevuld met een NSB-burgemeester. Een zekere Cornelis I. van der Weele, handelsreiziger in Gouda, kwam zijn plaats vervullen, hetgeen een grote ommekeer teweeg bracht. Je kon wel proberen met hem de kachel aan te maken, maar zijn NSB-vrienden klitten als vliegen om hem heen en kwamen hem van alles en nog wat vertellen. Aan hen werd om advies gevraagd, terwijl ze in feite niet in staat waren raad te geven en zo kwamen er alle mogelijke rare dingen tot stand.
De twijfel bleef echter ook bij hen niet weg; dat kon je goed merken aan hun doen en laten, terwijl de burgemeester vrij snel "overwerkt" was en op rust ging in Valkenburg.
*
Het was een snoever, die zo nu en dan eens liet horen dat hij niet in de maling genomen wilde worden of dat hij andere maatregelen zou nemen. De zaak zou toch wel draaien, ook al waren wij er niet. Zulke uitbarstingen kwamen ongetwijfeld nadat een "goeie" Sassenaar hem weer eens in een anoniem schrijven het een en ander had weten te vertellen. Zijn bewering dat hij soms wel 10 briefjes per dag kreeg, was natuurlijk onzin, maar elk briefje dat hij kreeg was er eentje te veel.
Ik werd eens bij hem geroepen. Hij reikte mij een brief aan met de woorden: "Een van je vrienden heeft me nog wat over je te vertellen. Lees maar." Daarna verscheurde hij het epistel met de mededeling dat hij aan anonieme briefjes geen aandacht kon schenken. Ja, ja, maar ondertussen was er toch maar weer iemand, die probeerde je een hak te zetten. Wij, en daar bedoel ik dan mee van den Hemel, Notté en ik, namen eenstemmig een weigerachtige houding aan. Het was soms ook al te gek. Zo vroeg hij bijvoorbeeld in oktober 1943 of wij soms onderduikers wisten te zitten. Hij rekende op onze medewerking om zulke gevaarlijke elementen te helpen verwijderen. Volgens hem vormden de onderduikers een bende, die moest worden uitgeroeid. De bewoners van de huizen aan de Stuiver en op de Staak moesten schriftelijk worden gewaarschuwd tegen het doorlaten van passanten en smokkelaars. Deden ze dat toch, dan zouden ze uit hun huis worden gezet. De burgemeester wilde ook weten of wij, na de inlevering van radiotoestellen, nog ergens achtergebleven toestellen wisten. Hij had het eens moeten weten !
De burgemeester wilde ook weten of wij mensen kenden waar je voor één dag een kamer kon huren. Het hoe en waarom werd er niet bij verteld. De laatste vraag kon ik met een oprecht "neen" beantwoorden. De rest niet, omdat ik zelf mijn radiotoestel al gekaapt had en regelmatig onderduikers in huis had.
Een van zijn NSB-vrienden had bij hem geklaagd, dat de vulling van de banketstaven bij een bepaalde bakker veel te wensen overliet. Het was zeker geen amandelspijs. Ik werd daarover gehoord en kreeg opdracht een stuk banketstaaf van thuis mee te brengen naar kantoor ter controle. Nooit was de vulling zo echt geweest als toen !
*
Een andere NSB-vriend had zich beklaagd over de gang van zaken bij de noodslachtingen. Daar zou geknoeid worden. Gevolg: alle vleesbonnen voor die gelegenheden moesten worden ingenomen en werden door de burgemeester en twee van zijn trawanten nagekeken. De uitkomst gaf een beschamend laag slachtgewicht aan, maar daarop wist de dierenarts. Dr. de Bas, een zeer duidelijk en afdoend antwoord.
*
Palen planten (de zgn. asperges) was een bezigheid, die door de burgemeester gebruikt werd om bepaalde mensen te pesten. Om een voorbeeld te geven: Gilbert de Mul had een drukkerij aan de Stationsstraat, waar hij alleen voor stond. Het ongeluk wilde, dat hij iets had laten verbouwen. Architect Toon van Zantbeek had daarbij de leiding en geen van de twee heren stond op een goed blaadje. Hen werd aangewreven, dat ze "in het zwart" verbouwden, maar dat kon op geen enkele wijze worden bewezen. Zo iemand kon je dan heerlijk pesten door hem in te zetten bij de palenplanterij. Dat de zaken daaronder erg te lijden hadden, speelde geen rol. Ook anderen, zoals bijvoorbeeld Julien Renique, moesten goed in de gaten worden gehouden, evenals boer Honoré Coene, boer de Vleesschauwer, enz.
*
We hadden geen zin om ons met die palenplanterij bezig te houden en daarvoor mensen aan te wijzen. We stelden de burgemeester voor om dat maar aan zijn eigen kornuiten over te laten, en verdomd, hij trapte er in. Wij waren daarmee wel van dat baantje af maar hadden ons toch verkeken. De administratie kwamen de heren op de secretarie doen, hetgeen een stevige pottenkijke-rij betekende.
Niet alleen het plaatsen van de palen zelf was een bende, ook de administratie liep niet zoals dat behoorde. Michel Inghels is tot vele jaren na de oorlog, ieder jaar rond Carnaval, om zijn centen komen vragen voor de laatste tijd dat hij werkte. Hij was niet de enige, die er een weekgeld bij ingeschoten is.
*
Dat was het een en ander over de NSB-burgemeester met aanhang. Niet alles, want dan blijven we nog wel even bezig. Bijvoorbeeld, over de zeer goede verhoudingen die we hadden met de politie, waar ze inmiddels ook met een NSB-groepscommandant waren aangekleed. Die zocht het meer in rechtstreekse contacten met de Duitsers, maar Opper Meertens en zijn mannen hebben veel onheil weten te voorkomen.
Tijdens de bezetting kenden we dat nog niet, maar na de bevrijding klonk menigmaal het liedje:
Kommissar, Kommissar, Kommissar van Sas
Wat was jij een grote heer,
Toen je dat nog was.
*
Alles wat naar nationaal socialisme rook verdween als sneeuw voor de zon bij de nadering van 19 september 1944, de dag van onze bevrijding.
Ik dacht, nou is er genoeg ander werk te doen dan me bezig te houden met het kaal scheren van dames, die wel eens met een Duitser waren gezien, of het interneren van mensen waarvan "men" zei, dat ze zwarthandelaar of Duitsgezind waren. Ik heb nog altijd een naar mijn mening niet volledige lijst van zogenaamde zwarthandelaren en smokkelaars met daarnaast een mijns inziens even onvolledige lijst van pro-Duitsers. Daar staan een paar namen op van mensen, die zwarthandelaar en tegelijk Duitsgezind zouden zijn geweest. Die wilden kennelijk van twee walletjes eten. Maar er staan ook namen op van mensen die een hartverlamming zouden krijgen als ze dat wisten! Ik heb dat allemaal maar gelaten zoals het was en hielp zelfs door mijn getuigenis een of meer "zwarthandelaars" of "pro-duit-sers" uit het interneringskamp.
*
Grote activiteit kwam er weer toen West-Zeeuwsch-Vlaanderen bevrijd zou worden. De te nemen maatregelen werden bij mij in huis (een deel van het oude klooster) aan de burgemeester, die immers als onderduiker mijn mede-bewoner was geworden, medegedeeld. Onder de geallieerde officieren, die hem dat kwamen uiteenzetten, was ook een Belgische en een Nederlandse officier.
De burgemeester kreeg o.m. opdracht een noodhospitaal in te richten ter verzorging van burgers, die gewond zouden raken. Dat werd ingericht in het patronaatsgebouw (nu de Roselaer) en functioneerde prima onder leiding van onze plaatselijke artsen Puy-laert en van Loy. Mevr. Vos uit de Tulpstraat trok haar verpleeg-stersschort weer aan en Willem de Coene deed alles wat hij als ervaren EHBO-er maar kon doen. Het is gevaarlijk die paar namen te noemen, want dan denken de anderen: "Ik heb zeker niks gedaan." Integendeel, met een grote groep vrijwilligers(sters) is er hard gewerkt tot grote tevredenheid van allen en niet op de laatste plaats van de patiënten zelf. Met Kerstmis 1944 vierden we met de kapelaan en de dominee het kerstfeest en sloten daarmede deze periode af. Ondertussen was er ook gewerkt aan het ontvangen, controleren, huisvesten en verder vervoeren van +_ 30.000 vluchtelingen uit het westen. Bij dat werk was dokter van Rompu onze steun en toeverlaat. Om ons zelf te beschermen tegen luizen, schurft, vlooien enz. moesten we maar borrels drinken !
*
In Hotel "De la Bourse" was luitenant Gay ingekwartierd. Hij behoorde tot "Civil Affairs" (burgerzaken). Alles wat je nodig had voor nood-ziekenhuis of vluchtelingen vroeg je aan hem en je kreeg het zeer overvloedig aangereikt. Zei je bijvoorbeeld dat er wel wat maandverband voor de vrouwelijke patiënten mocht zijn, dan stond er nog dezelfde dag zo'n grote Amerikaanse vrachtwagen, volgeladen met dat spul, voor de deur. Een latje chocolade kreeg je verhonderdvoudigd, vlees, boter, kaas, eieren en noem maar op, alles kwam er in overvloed.
*
Daarnaast werkte ook nog het HARK-comité (een Hulp-Actie van het Rode Kruis). Ik ben wel eens bij thuiskomst door mijn vrouw naar de zolder gestuurd om te constateren dat die vol stond met schoenen (voor de vluchtelingen). Een volgende keer waren het vrachten kleding waarmee heel veel mensen geholpen konden worden. En natuurlijk ging onmiddellijk prompt het praatje door Sas, dat ik zelf van de HARK gekleed ging!
*
Eerst werden we verraden bij de NSB-burgemeester, toen was het niet goed omdat we ons hebben ingezet voor hulp-acties en tenslotte werd ik gevorderd om als burger werkzaam te zijn bij het Militair Gezag in het Groot-Casino van de l'Azote te Sluiskil. (Nu N.S.M.) Daar kwam al snel een (overigens wel ondertekende) brief binnen van een bekend Sassenaar; dat ze wel mochten uitkijken, want ik wilde zo graag burgemeester van Sas worden! De briefschrijver had er geen rekening mee gehouden dat mijn nicht, Rie Visser, secretaresse was van de Militaire Commissaris en mij dus gemakkelijk kon inlichten.
Het was ook in die tijd, dat ik voor het eerst (en tegelijk voor het laatst) huiszoeking kreeg. De oud-kapitein van de Phenol, de heer Arends, was zo vriendelijk geweest om aangifte te doen, dat al het vermiste zilverwerk van de voormalige Engelse directeur van de Teerfabriek in Zelzate, bij mij in huis was. Ik heb toen dadelijk de politie meegenomen naar mijn huis en heb de heren daar vrij spel gegeven. Alles zonder resultaat natuurlijk. Deze en nog andere zaken beleef je alleen maar als je aan de weg timmert. Thuiszitters hebben daar geen last van.
*
Bij het Militair Gezag werd ik algemeen secretaris van de commissie, die zich moest bezig houden met de zuivering van het ambtenarencorps. De lijst uit Sas alleen al bevatte 171 namen, waarvan er 9 zijn overgebleven.
*
Al had ik daar in feite niets mee te maken, er was toch wel interesse voor het "Pensionaat St. Joseph" in Sluis, het interneringskamp voor Zeeuwsch-Vlaanderen. Ik ga daar niet veel over vertellen want dan kom ik misschien nog op de lijst van pro-Duitsers.
Commandant van dat kamp was onze plaatsgenoot, Passchier Stout-hamer, eertijds personeelschef van de Glasfabriek. Op een zondag ging ik met hem mee naar Sluis. Het was winters weer en het had licht gesneeuwd. Nauwelijks waren we het gebouw binnen of er schiet een geïnterneerde dame op ons af, met de boodschap: "Allé, nou wordt het toch wel helemaal mooi. Nou hebben ze de broek van mijn kont gestolen." Ik moet daar nog wel eens aan denken als ik die mevrouw tegenkom, Zij misschien ook wel, wie weet.
*
Om geschiedenissen met damesbroeken e.d. te voorkomen, werd er een apart vrouwenkamp ingericht in Groede. Ik kwam daar eens in de keuken en meteen hoorde ik: "Non-de-dju, wie we daar én." En daar stond Zwarte Zus (Mevrouw Anna de Les-sine - Wolfgang) transpirerend in onderrok met dikke blote armen in een grote ketel te roeren. Kennelijk de warme maaltijd voor de van het land weerkerende "arbeidskrachten". Want dat moesten de geïnterneerde vrouwen doen; in het land gaan werken. Als ze "thuis" kwamen was er een ruimte waarin ze zich konden wassen. Niet aan een wastafel of onder een douche, maar op een rijtje aan een lange zinken goot. Niet alleen de handen en het gezicht kregen een flinke beurt, maar ook andere lichaamsdelen waren bij het ceremonieel betrokken. Schaamtegevoel voor elkaar was er al lang niet meer, maar ik vond het alles bij elkaar een weinig verheffend schouwspel. Ook daar trof je mensen aan waarvan je je afvroeg, wat zitten die hier eigenlijk te doen, maar pogingen tot vrijlating hielpen niets. Voorbeelden daarvoor te over. In feite bekroop je zo maar de lust om te zeggen: "Kom mee, we gaan naar Sas."